Home » Politieke Lobby » Wonen » Dossiers A-Z » Onroerend goed zwaarder belast box 3?

Onroerend goed zwaarder belast box 3?

Zwaarder belasten verhuurd onroerend goed in box 3 onverantwoord!

Maatschappelijke context

Het leeuwendeel van particuliere box 3 beleggers in onroerend goed belegt in woningen waarvan de huurprijs is gereguleerd. Particuliere verhuurders van woonruimte vervullen daarmee een belangrijke maatschappelijke rol. De sector wordt wel getypeerd als de smeerolie tussen de sociale huursector (de corporaties) en de koopsector. Door de recente herziening van de Woningwet zal die rol verder in belang toenemen.

Het kabinet doet een beroep op particuliere investeerders om te bouwen in de middeldure huursector. Dat moet bijdragen aan het oplossen van de problemen op de huurwoningmarkt. De particuliere huursector zal daarvoor moeten groeien. Groei van de particulier huursector zal bijdragen aan het de door het kabinet gewenste terugdringen van scheefwonen en bevordert de doorstroming in de woningmarkt als geheel. Particuliere investeringen in de huurwoningmarkt kunnen bovendien een impuls geven aan het herstel van werkgelegenheid in de nog steeds krimpende bouwsector. Investeren in middeldure huurwoningen is daarmee van groot sociaal en economisch belang. Het herleven van bouwactiviteiten levert het Rijk meer belastinginkomsten op en een besparing op uitkeringen aan bouwvakkers die op dit moment zonder werk thuis zitten. Verhoging van belastingdruk zal investeerders niet verleiden tot noodzakelijke investeringen in de sector en is daarom ook maatschappelijk ongewenst.

Belastingen

Een gemiddeld rendement van 4% op woningen wordt door box 3 beleggers in de praktijk niet bij benadering gerealiseerd. Laat staan 4,7% of zelfs 5,5%. Al bij de vorige belastingherziening in 2001 onderkent het Nederlands Economisch Instituut (NEI), in een rapport opgesteld in opdracht van VROM, dat box 3 beleggers in onroerend goed niet verder komen dan een totaal rendement 2,5%[1]. De omstandigheden zijn sindsdien verder verslechterd. In een recenter rapport stelt het CPB vast  dat het rendement op onroerend goed in de periode 2006-2011 uitkomt tussen 0,3% en 1,5% negatief[2]. Daarbij is nog niet eens rekening gehouden met de negatieve effecten van de verhuurdersheffing.

Die lage rendementen zijn niet in de laatste plaats het gevolg van ongebreidelde en ongecoördineerde stapeling van allerlei belastingen. Cumulatie van die belastingen leidt in veel gevallen tot een totale belastingdruk die de jaarlijkse huurinkomsten benadert of overtreft. Gevolg: structureel negatief exploitatieresultaat. Het illiquide karakter van beleggingen in onroerend goed brengt met zich mee dat die belastingen uit de directe huurinkomsten betaald moeten kunnen worden. De belastingdienst neemt nu eenmaal geen genoegen met een kruiwagen vol stenen. Verhuurders raken daardoor in liquiditeitsproblemen.

Vastgoed Belang vindt een verdere toename van belastingdruk op onroerend goed dan ook onverantwoord en maatschappelijk ongewenst.



[1] Eindrapport “Rendement op woningen in de particulier huursector”, mei 2002,  i.o.v. VROM

[2] Tabel 3.4, blz. 11, CPB Achtergronddocument, 16 maart 2015, Het financieel vermogen in box-3: verdeling en belasting